Wat ge hier leest, is echt gebeurd. Namen en details zijn aangepast — niet uit schrik, maar omdat de vragen belangrijker zijn dan de naam die ze stelt.
Ga languit liggen in de zetel, ontspan, en stel u voor: ge wordt geboren in een corrupt land. Ge weet het nog niet. Moeder weet het wel, maar vandaag niet — vandaag is er alleen gij.
In de nacht van een zomerdag zie gij het eerste daglicht. Moeder en grootmoeder hebben de grootste moeite u niet te pletten onder de kusjes. De kamer staat vol bloemen, maar ruikt naar verse preisoep — grootmoeder is met de kookpot tot in de kraamkliniek geraakt, want een geboorte is geen reden om niet te eten. Vader en grootvader vieren uw komst intussen in elk lokaal café waar nog licht brandt. Trots, en naarmate de nacht vordert steeds trotser.
En dan moogt ge de wijde wereld in. Het eerste uitstapje brengt u thuis — waar elke dag iets op het vuur staat nog voor iemand honger heeft, waar meer gelachen wordt dan er reden voor is, en waar ge geknuffeld wordt tot ge protesteert. Er bestaat geen foto van, geen kaartje, geen haarlokje in een doosje. En toch weet ge vandaag nog hoe dat huis rook.
Het huis rook naar wat er die week bewaard werd. In de zomer waren dat de boontjes, rij na rij in steriliseerpotten die rinkelend uit het kokende water kwamen, en de rabarberconfituur die in omgekeerde potten op een handdoek stond af te koelen. Niets ging verloren in dat huis. De zomer zelf werd er ingemaakt, pot per pot, voor later, altijd voor later.
Onder de trap naar boven zat een tweede trap, steiler, naar beneden. De kelder. Daar stonden de rekken met steriliseerpotten, rij na rij, het hele jaar netjes op glas gezet voor als het winter werd. Diezelfde kelder deed bij kattenkwaad dienst als strafkolonie. Dan zat ge op de onderste trede in het halfdonker, tussen honderd potten ingemaakte zomer, te wachten tot de deur weer openging. Ze ging altijd weer open. Ook dat wist ge, zelfs in het pikdonker.
Van de eerste jaren weet ge niks meer. Zes jaar lang zijt ge gedragen, gevoed, gewassen en geknuffeld — en er is geen enkele bokaal van bewaard. Zo werkt dat bij iedereen: de jaren waarin ge het meest geliefd wordt, zijn de jaren die ge vergeet. Ge moet erop vertrouwen dat ze er geweest zijn, gelijk ge op een geur vertrouwt. Wat rest zijn flarden zonder datum: een stoof die tikt, een schort met bloemetjes, handen die u optillen. Het geheugen begint pas te bewaren als er iets te verbergen valt.
Uw eerste herinnering is dan ook geen kus. Het is een misdaad.
De aardbeien waren uw eerste misdaad. Ge had er zelf bij grootvader op aangedrongen: meer plantjes, veel meer — een mens moet vooruitzien. Hij plantte, gij oogstte. De helft ging naar school, voor de vriendjes; de andere helft haalde soms de keukendeur niet.
En elk jaar stond grootvader tussen zijn bedden, half leunend op spade of hark, klaske beetje scheef, en een tuutje tabak met papiertje rond in de uithoeken van zijn mond, naar beneden wijzend. ‘Allez, hoe is da nu mogelijk. Hoe meer ik er zet, hoe minder da’k er heb.’ Gij, naast hem, ernstig knikkend: ‘Ge moet eens een vogelnetje proberen. Wie weet vat ge de dief wel.’ Hij heeft dat netje nooit gespannen. Misschien wist hij dat vogels geen aardbeien kiezen op rijpheid. Misschien vond hij een kleinzoon met rode vingers een eerlijke prijs voor zijn oogst.
Elke zondag ging ge samen naar de hoogmis. Aan de kerkdeur kreeg ge altijd dezelfde instructie: vooraan zitten, en langs de rechterbeuk binnen. Hij kwam wel na — als grafdelver vond hij altijd iemand om tegen te klappen. Het duurde een paar zondagen eer het u opviel dat ge hem in die volle kerk nooit kondt terugvinden.
Op een zondag hebt ge het opgevoerd. Middenin de mis, toen heel de kerk rechtstond, greept ge naar uw kruis, blies ge uw wangen bol, en rende ge — handen tussen de benen, kraaknood op uw gezicht — heel de middenbeuk door naar buiten. Eenmaal op het kerkplein hebt ge even uitgeblazen. De voorstelling was gelukt.
Ge wist waar pepe uithing. Dat was geen geheim in het dorp. Ge zijt naar het café gestapt en hebt gewacht tot er iemand naar binnen ging — en toen de deur openzwaaide, zijt ge vlak achter zijn rug mee naar binnen geglipt. Want pepe keek altijd op als de deur openging, zoals de meeste toogzitters. Zo kon hij u onmogelijk zien aankomen. Wie u wél zag, kreeg twee dingen te verwerken: een paar wijd opengesperde ogen, en een vingertje op een glimlachende mond. Zwijgen.
Ge liep schoorvoetend langs de toog tot vlak achter hem. Een tik op zijn schouder. En voor hij zich goed en wel had omgedraaid: “Voor mij een cola, pepe. Of ik vertel het aan meme.”
Het café is beginnen lachen. Niet alleen om de vraag — vooral om pepe. Om het schrikken, om zijn gezicht dat niet wist waar te kijken, om de man die op de vlakte alle antwoorden had en er nu even geen enkel vond. Een andere toogzitter heeft de cola voor u besteld, want pepe kreeg zijn mond niet open. Zo hebt ge uw cola gekregen. En zo is uw eerste akkoord tussen heren gesloten: ieder zijn geheim, ieder zijn glas, en meme die van niets wist. Zo leerde ge, jaren voor ge het woord kende, hoe de wereld haar zaken regelt.
Meme heeft het nooit geweten. Niet omdat ge zwijgen kondt — maar omdat ge al begreep dat een verteld geheim niets meer waard is. Ge hebt het bijgehouden gelijk pepe zijn beste jenever: niet voor alle dagen, alleen voor de hoogste nood. En de hoogste nood, die kwam geregeld. Pepe betaalde altijd. Nooit met tegenzin, als ge er nu op terugkijkt. Misschien omdat hij wist dat hij niet betaalde voor uw stilte, maar voor iets dat veel zeldzamer is: iemand die uw geheim draagt en het niet laat vallen.
Meme is gestorven zonder het te weten. Gij en pepe, gij wist het samen. Dat was het akkoord, en het heeft gehouden tot de laatste dag.
De pastoor leek voor u op een rechtstaand en waggelend nijlpaard. Pepe omschreef hem korter: een dikke man met een dunne moraal. Zijn meid was zijn meid niet, en als er ergens in het dorp geslacht werd, was hij er als de kippen bij.
Ge hebt het één keer zelf gezien. Hij kwam aangefietst, stalde zijn fiets aan de omheining, opende het poortje en waggelde binnen met een zegegebaar — zegenend op weg naar de worst. ‘Ah, beste man, ik heb vernomen dat ge een zwijntje aan ’t slachten zijt. Wist ge dat ge zelfs van de poten een lekker gerecht kunt maken?’ Pepe keek niet eens op van zijn werk. ‘Gene schrik, ge krijgt een stukske. ’t Is toch dikke genoeg’ — en hij veegde zijn bebloed mes af, in één ruk door, aan zijn blauw kieltje. Ge hebt nooit geweten of hij het zwijn bedoelde. De pastoor ook niet, en dat was juist de kunst.
Een paar zondagen later hebt ge de hostie niet doorgeslikt. Ge hebt ze in uw broekzak gestoken, tussen de knikkers en het touwtje, en ge zijt braaf terug gewandeld naar uw bank. Het lichaam van Christus, uitgedeeld door een man die varkenspoten kwam schooien — ge vondt dat het in uw zak beter zat dan in uw mond.
Het was uw eerste nee. Het was een nee voor uzelf.
Ge kreegt drie woensdagnamiddagen. Tuin opkuisen bij de pastoor — het instituut liet zijn gazon harken door de jongen die zijn hostie niet had willen slikken. Ge hebt geharkt. Twee woensdagen lang waart ge de braafste dwangarbeider van het dorp, maar het groot aantal konijnenhokken was u niet ontgaan.
De derde woensdag hebt ge, voor ge naar huis ging, alle konijnenhokken opengezet. Met handschoenen aan. Ge waart tien jaar en ge wist al dat een mens geen sporen moet achterlaten op andermans grendels, dankzij pepe. Het kerkhof achter de pastorie is dagenlang speelterrein geweest voor enkele tientallen huppelaars — leven en vertier op de stilste grond van het dorp, en de pastoor er hijgend achteraan. Ze hebben het nooit kunnen bewijzen.
Ge hebt het aan niemand verteld. Aan niemand. Meer dan vijftig jaar hebt ge het bijgehouden, gelijk pepe zijn beste jenever, gelijk meme haar boontjes: ingemaakt voor later.
Dit boek is later.
De verhalen kwamen ’s avonds, aan de keukentafel, als het werk gedaan was en meme de tassen had volgeschonken. Pepe zat altijd in de hoek van de kamer, nauwelijks herkenbaar door de sigarenrook, naast de schouw van de stoof, in zijne blauwe kiel, losgeknoopt, een dik geruit hemd, een klaske en de houten klompen. Die kenden uw zitvlak beter dan de moestuin. En hij vertelde nooit op vraag — hij begon gewoon, ergens halverwege een gedachte, alsof de oorlog nooit ver weg was en hij er alleen af en toe de deur van openzette.
Hij was een jonge kerel toen de vreemde soldaten door het dorp kwamen. Vier jaar lang heeft hij het dorp bezig gezien, en dat is iets anders dan de oorlog bezig zien.
Hij vertelde over het smokkelen — boter, tabak, wat een mens maar dragen kon langs wegen die op geen kaart stonden, bij nacht, met het hart in de keel en de hond thuisgelaten omdat honden blaffen. Iedereen wist wie smokkelde. Niemand zei het. Dat was de eerste stilte.
Hij vertelde over het verzet — mannen die ’s nachts dingen deden waar overdag niet over gesproken werd, en over anderen die net iets te goed bevriend raakten met de bezetter, die plots vlees hadden als niemand vlees had, die wisten wat ze beter niet konden weten. Verzet en collaboratie woonden in dezelfde straat. Ze knikten naar elkaar bij de bakker. Dat was de tweede stilte.
En dan, op een avond, vertelde hij over de kampen. Wat er gebeurd was met de mensen die weggevoerd werden — waar ze naartoe gingen en wat daar met hen gedaan werd. Hij vertelde het traag, zonder op te kijken, en meme stond op om iets te doen dat niet gedaan hoefde te worden. Ge hebt die avond met verstomming geluisterd. Het was de eerste keer dat ge hoorde dat de wereld dingen bevat die een mens niet kan begrijpen en toch moet weten.
Na de bevrijding, vertelde hij, moest het dorp verder. Mét elkaar. De smokkelaar en de veldwachter, de verzetsman en de vriend van de bezetter — ze bleven buren, ze kwamen elkaar tegen op de kermis en aan het kerkportaal, en het dorp sprak af, zonder het ooit af te spreken, om te zwijgen. Dat was de derde stilte, en ze duurt tot vandaag.
Pepe deed daar niet aan mee. Niet luid — hij hing geen affiches, hij schreef geen brieven. Maar aan zijn keukentafel, voor een kind van tien, weigerde hij te vergeten. Hij heeft ze trouwens allemaal begraven, jaren later, de helden en de anderen, in dezelfde grond van hetzelfde kerkhof. Misschien vertelde hij daarom: wie iedereen de put in draagt, weet dat er van de stilte niets overblijft.
Alleen wat verteld is, blijft boven.
Na pepe’s verhalen zijt ge beginnen lezen. Alles wat de bibliotheek had over de kampen, hebt ge in enkele maanden uitgelezen — en de bibliotheek had niet genoeg. De bibliothecaris deed u denken aan een stripfiguurtje, dikke zwarte bril met niet ver daaronder eenzelfde kleur dikke snor, maar hij had het wel door. Hij zei niet dat het niks was voor uw leeftijd; hij legde boeken opzij als er iets binnenkwam, zocht in bestellijsten, en liet titels overkomen uit andere bibliotheken. Om de zoveel weken lag er iets klaar dat gereisd had om bij u te geraken.
Ge hebt toen iets geleerd dat ge nooit meer zijt kwijtgeraakt: op elke vraag bestaat ergens een document. En er bestaan mensen — stille mensen, achter balies — die vinden dat een kind met een vraag recht heeft op dat document. Het dorp had afgesproken te zwijgen over de oorlog. De keukentafel fluisterde. Maar de bibliotheek, die leverde. Zonder commentaar, zonder oordeel, met een stempel voorin: terugbrengen binnen de drie weken. Ge hebt ze altijd op tijd teruggebracht. Sommige schulden lost een mens graag af.
Het dorp had in de oorlogsjaren één veldwachter en één boswachter, allebei door de bezetter ingelijfd om de orde te handhaven. Zelfde opdracht, zelfde meester — en daar stopt elke gelijkenis.
De veldwachter boog. Niet uit overtuiging, vertelde pepe, maar uit schrik: hij had een vrouw, kinderen, een huis dat kon branden. Elke bevelbrief die hij uitvoerde, was er een die zijn gezin een nacht langer liet slapen.
De boswachter was uit ander hout. Eeuwige vrijgezel, niets te verliezen dan zijn eigen vel, en dat vel jeukte. Hij droeg het mandaat van de bezetter over zijn schouder en gebruikte het als dekmantel: wie het bos bewaakt, weet wanneer het bos onbewaakt is. Aanstoker van het verzet, zei pepe, en hij zei het met dat half lachje van hem — schieten vond hij toch al leuker dan bewaken.
Ge hebt uit die twee mannen meer geleerd dan uit alle schoolboeken samen: dat een uniform niets zegt over de mens die erin zit. Dat de gehoorzaamste dienaar soms gewoon de bangste vader is. En dat rechtstaan makkelijker gaat voor wie alleen slaapt.
Sindsdien hebt ge nooit nog een functie beoordeeld. Alleen mensen.
Hoe het afliep, vertelde pepe ook, en hij vertelde het trager dan de rest.
De boswachter heeft de bevrijding niet gehaald. Hij is omgekomen bij een actie van het verzet — gestorven zoals hij geleefd had, met niets te verliezen en alles op het spel. Het bos heeft nadien een andere wachter gekregen; het verzet niet.
De veldwachter heeft de oorlog wél overleefd. Maar na de bevrijding kwamen de zaken aan het licht, één voor één: hij had niet alleen gebogen, hij had gepraat. Persoonlijke informatie doorgegeven om zijn eigen vel te redden — namen, adressen, wie waar zat. Het dorp heeft hem verjaagd. Geen proces, geen vonnis: een dorp dat iemand uitspuwt, heeft geen rechtbank nodig.
En zo bleef de rekening staan zoals ze staat: de man die rechtstond, ligt onder de grond. De man die verraadde, is gewoon ergens anders gaan wonen, waar niemand zijn verhaal kende. Pepe heeft de boswachter niet begraven — die grond lag te ver van huis. Misschien stak dat hem nog het meest: dat de enige van het dorp die het verdiende om met eer de grond in gedragen te worden, het zonder hem heeft moeten doen.
Ge hebt aan die tafel geleerd dat de geschiedenis geen boekhouder heeft. Dat de rekening van moed en de rekening van verraad allebei openstaan, en dat er niemand komt om ze te vereffenen. Tenzij iemand ze tenminste opschrijft.
Daarom vertelde pepe, denkt ge nu. En daarom schrijft gij.
Hoofdstuk 1Er was in het dorp nog een man met twee gezichten, al droeg hij ze allebei in vol ornaat: de schooldirecteur. Hij deed u denken aan de boosaardige kant van smurfenland — enen die het gemunt had op al wat klein en blauw was. Hij leerde de kinderen lezen en rekenen, en hij hield er een handeltje in geld op na, waar na de schooluren meer geteld werd dan in de rekenles. Op vrijdag was er het leesuurtje, en dan las de directeur voor over volkskunst en lokale helden. Ge hebt er altijd een wrange smaak bij gehad, al kondt ge toen nog niet zeggen waarom. Pepe kon het wel: die man, zei hij, duwde mensen de stront in. Wie bij hem in het krijt stond, stond er niet vlug meer uit.
Ge wou het gewoon met eigen ogen zien, wat dat met mensen doet. Dus op een Kerstdag hebt ge een koeienvlaai in krantenpapier gewikkeld, ze op zijn stoep gelegd, ze aangestoken, aangebeld, en u achter de struiken geïnstalleerd. De deur ging open. De directeur, in zijn huissloefjes, zag het brandende pakje en deed wat elke mens doet met een klein vuur voor zijn deur: hij stampte het uit. De man die mensen de stront induwde, stond er zelf in, tot over de rand van zijn sloefjes. Zijn vrouw kwam kijken en trapte er prompt naast hem in. Ge hebt achter de struiken geen geluid gemaakt. Dat was het moeilijkste deel.
Hij is het nooit te weten gekomen. En dat was, besefte ge later, het beste deel van de straf: een man die iedereen in het dorp kon doen buigen, en die voortaan bij elke leerling, elke ouder, elke belleman moest denken: zijt gij het geweest? Ge hebt hem geen vlaai cadeau gedaan. Ge hebt hem een vraag cadeau gedaan die nooit meer uitdoofde.
Jaren later speelde ge volleybal, en elk jaar verkocht de club taarten, huis aan huis. Ge moet niet vragen wie er bij de directeur aanbelde. Hij deed open, zag u staan, en schrok — zichtbaar, een halve seconde, maar ge hebt het gezien en ge teert er nog op. Een man die schrikt van een taartenverkoper is een man die nog altijd op een antwoord wacht. Ge hebt hem vriendelijk een taart verkocht. De vraag hebt ge hem laten houden.
Dat was het warme land. Een huis waar de zomer werd ingemaakt en de deur altijd weer openging. Een grootvader die gaf én fileerde, een grootmoeder die alles bewaarde, ook wat ge dacht dat niemand zag. Een dorp met een kerk, een kerkhof, een bank en een school — en een jongen die stilaan begon te tellen.
De plaatselijke supermarkt was marktleider in het dorp, naast de krantenwinkel, de bakker en de slager. Hij werd uitgebaat door een ventje dat nooit stilstond, steevast in een blauwe kiel van een beter stofje. Geholpen door zijn echtgenote en een zoon die meer met cijfers had dan met ballen. De zaak sponsorde het volleybalclubje royaal — met één voorwaarde, die nergens op papier stond en die iedereen kende: de zoon speelde wekelijks mee in de ploeg.
Zo leerde ge, lang voor iemand u het woord kon uitleggen, hoe sponsoring werkt: het geld kwam op de rekening van de club, en gij kwaamt op de bank. Week na week een beetje meer, tot de zin verdween en ge eigenlijk liever op andere ballen had geklopt. Het werd het einde van de teamsport. Niemand had vals gespeeld, er was geen regel gebroken — er was alleen een regel bijgekomen die niemand had opgeschreven.
Ge zijt niet kwaad gebleven; ge zijt vertrokken. Darts, biljart, bowling, tot op competitieniveau — sporten waar geen sponsor de opstelling koopt, waar de pijl vertrekt uit uw eigen hand en nergens anders vandaan. En het bracht u op plekken waar ge anders nooit was geraakt, tussen mensen uit hetzelfde land maar met een andere mentaliteit, een andere denkwijze, elk met hun eigen verhalen. Sommigen zag ge maar één keer. De indrukken bleven optellen. Ge wist toen nog niet waarvoor ge aan het sparen waart.
De woensdagnamiddag was het vaste vriendjesmoment. Ge kondt gewoon achteraan de woonst van uw vriend de deur openen, zijn naam roepen, of zijn familie aantreffen aan de keukentafel — deuren gingen daar niet op slot voor bekend volk.
En met de papa zijn fototoestel-flits op batterijen zijt ge op een avond de maïs ingedoken, langs de baan. Elke voorbijrijdende chauffeur kreeg een gratis flitske cadeau. Ge moest de remlichten zien: heel het dorp reed die week voorbeeldig, uit schrik voor een flitspaal die niet bestond. Twee jongens en een flitslamp volstonden om de wet geloofwaardiger te maken dan de wet zelf.
En dan waren er de telefoonboeken — de max. Ge belde naar de heer Winter met de vraag: “Spreek ik met mijnheer Zomer, alstublieft?” En als die dan antwoordde “Nee, ik ben de heer Winter”, was uw antwoord klaar: “Sorry mijnheer, ik heb mij vergist van jaargetijde.” Onschuldig, gratis, en aan de andere kant van de lijn werd er meestal mee gelachen.
Ge belde eens naar een willekeurig nummer. Een ouder vrouwtje nam op, dus paste ge het scenario meteen aan. “Dag vrouwke, ’t is hier Zorro. Hebt gij mijn paard niet gezien? Het zou daar ergens in de buurt moeten rondlopen.” — “Nee, sorry, niet gezien.” — “Zoudt ge kunnen terugbellen als ge het ziet?” — “Joak.” Ze heeft nooit een nummer gevraagd.
Vijf minuten later, hetzelfde nummer. Andere stem. “Dag vrouwke, ’t is hier het paard van Zorro. Ik ben hem kwijt, hij moet daar ergens rondlopen.” En het vrouwtje, met een en al bezorgdheid: “Maar jongske toch — hij heeft vijf minuten geleden nog gebeld!”
Nog eentje: uzelf voordoen als technieker van ’t telefoon. “Goedemiddag mevrouw. U spreekt met Jan, diensthoofd technische dienst. We zijn momenteel met een volledig team de geluidsoverdracht op onze lijnen in kaart aan het brengen. Ge zoudt ons een grote dienst bewijzen door even zacht in de hoorn te blazen.” En iedereen blies. Uiteraard. Waarna ge afrondde naar goeddunken. “Auw — zo hard niet, mevrouw, ge vernielt bijna mijn kapsel.” Of: “Ai, look gegeten gisteren, meneer?” Of, de wreedste: “We kunnen helaas nog niks meten. Kunt ge nog wat harder blazen? En nog harder?” — tot de persoon aan de andere kant zowat geen adem meer overhad.
Uw strafste hebt ge gelezen in een reclamefolder: treinbielzen te koop, twee meter lengte, vijftig stuks. Ge belde. Of het mogelijk was ze op één meter te zagen — ge waart namelijk uw tuin in perken aan het indelen. Dat kon. Ge sprak een datum af om ze te komen halen, en ge zijt nooit gegaan.
Weken later viel er weer een folder in de bus: treinbielzen te koop, één meter lengte, honderd stuks. De man had ze gezaagd. Alle vijftig, doormidden, voor een tuin die niet bestond, voor een klant die nooit kwam. En voor de eerste keer in uw leven kreegt ge buikpijn van uw eigen grap. De pastoor had het verdiend, de directeur had het verdiend — maar deze man had niets misdaan. Hij had alleen zijn best gedaan voor een klant. Ge hebt die folder nooit weggegooid uit uw hoofd.
Het was de dag dat ge leerde dat een streek een adres nodig heeft, en dat wie zonder adres schiet, altijd een onschuldige raakt.
Ge waart nochtans een verstandige jongen. Goede cijfers, elk jaar weer — met minpunten voor gedrag, elk jaar weer. Als meneer pastoor onaangekondigd het klaslokaal binnen kwam gewaggeld, moest de klas rechtstaan. Dat duurde meestal veel te lang, en voor wie niet vlot genoeg rechtstond, eindigde het op de knietjes, vooraan in de hoek. De school leende haar straffen uit aan de kerk; knielen was er zo eentje. Ge hebt vaak geknield en nooit geplooid. Want wat pepe vertelde, vertelde het dorp ook, in geruchten die nooit een naam durfden noemen — en een kind dat twee bronnen heeft, staat sterker dan een man met één kazuifel.
Bij u is het altijd bij woorden gebleven, en bij wachten. Wachten op de laatste hostie. En tegen de tijd dat er een plaatsvervanger werd aangewezen, was uw geloof al lang in uw schoenen gezakt — de kerk verloor u niet aan de duivel, ze verloor u aan haar eigen dienaar.
Pas veel later, toen ge al lang groot waart, zou blijken hoe goedkoop gij er nog vanaf gekomen zijt. Toen kwamen de verhalen naar boven, uit heel het land, uit alle landen — over pastoors die achter meer aanzaten dan konijnen, en over een instituut dat het wist, en zweeg, en verplaatste, en verder liet doen. Uw dorp had zijn dikke pastoor met zijn meid en zijn varkenspoten. Andere dorpen hebben minder geluk gehad. En de doofpot die daar boven stond, was dezelfde als overal: laten gebeuren, het onderzoek onmogelijk maken, en het zwijgen heilig verklaren.
Ge waart zes jaar toen moeder vond dat ze terug kon gaan werken, en de grootouders bereid waren u onder hun vleugels te nemen. Dat er soms weken geen ouderlijk dak te bespeuren viel, vond ge niet eens erg. De vleugels volstonden.
Meme en pepe waren van verschillend hout, maar allebei zorgzaam en lief — op de uitzonderingen na, en die kende ge vanbuiten. Meme met een dweil in de aanslag kondt ge maar beter ontwijken; pepe kende haar werkritme tot op de seconde, en telkens het binnen gevaarlijk werd, genoten de moestuin of de beestjes van plots verkregen extra aandacht. De man heeft nooit één ruzie gemaakt. Hij was er gewoon nooit als er eentje klaarstond.
Al waren de beestjes bij pepe ook niet altijd veilig. Hij had namelijk een eigen techniek om kippen te slachten: met een grote haagschaar. Meme keek al lang niet meer op van een rondlopende kip zonder kop. Ze wist wat er gebeurde op het hof en daarrond, en ze had geleerd wat elke boerin leert: dat verbazing een luxe is voor mensen die hun eten in de winkel halen.
Binnen zorgde de centraal geplaatste stoof voor de kolengloed en voor pannenkoeken waar geen enkele sindsdien nog aan getipt heeft — meme deed spuitwater in het beslag, en de melk kwam rechtstreeks van de koe. Als ge meme aantrof zonder doek of dweil, maar wel altijd met een dagverse halflange schort, met bloemenmotiefje, dan was het in de keuken, en de keuken was haar territorium: overal afblijven, niet proeven voor het op tafel stond. En ze kwam altijd met de pot de keuken uitgestormd, met pannenlappen en meestal gevolgd door een waarschuwing ‘past op, tis warm!’. Nog voor het deksel van de pot op tafel kwam, wist ge aan haar ogen genoeg. Zij controleerde de smaken. En zij controleerde de borden — leeg moesten ze, en ge bleeft zitten tot het zover was, ook al vondt ge het niet lekker. Van sommige groenten keert uw maag vandaag nog om, ook al komen ze al vijftig jaar niet meer op tafel.
Wrange smaken blijven. Voor altijd.
Ge keekt altijd uit naar familiebijeenkomsten, feestdagen en verjaardagen. Stoeien met neefjes en nichtjes, en er was altijd wel een cadeautje te versieren. Maar het was ook daar dat ge voor het eerst de schone schijn zaagt: vriendelijk en glimlachend zolang iedereen erbij was, en eenmaal terug aan de eigen keukentafel werd er fel bekritiseerd — jaloezie en nijd waren nooit ver weg. Twee gezichten per familielid, één per kamer. Wat ge toen gewoon leuk vond, zou later een bijsmaak krijgen.
In een bolhoedje vertrokt ge jaarlijks meermaals op vakantie — eigen land, omliggende vakantieoorden, niks was te ver. Dat bolhoedje bracht u ook op beurzen, huishoudelijke én technische, beiden een goudmijn voor de verzamelaar. Stylo’s, ballonnen, kleurpotloden en boeken maar vooral veel beklad papier, ideaal voor de proppenschieter in de klas. En af en toe kondt ge ongemerkt een doosje lucifers bemachtigen, voor in de strafkolonie, het was er soms echt creepy.
Op de achterbank had de mama een licht deken uitgespreid, rood zwart geruit en gekleurd, afgewerkt met franjes, het beschermde de achterbank tegen lichamelijke ongemakjes, niet tegen een brandend doosje lucifers. De onkatholieke vloekende papa had geen andere keuze om het bolhoedje in de berm te parkeren en wat begon als rode huid werd de grootste blaas op uwe duim die ge ooit had gezien.
De jaarlijkse jeugd- en volleybalkampen: alsof het elke vakantiedag kermis was. Eén volleybalkamp springt eruit, en niet vanwege de kermis. Ge kreegt er bezoek van den papa, in aanwezigheid van een vrouwelijke persoonlijke assistente. Waarom — dat is een vraag waarvan een kind alleen het zijne kan denken. In stilte, op dat moment. In lange stilte daarna.
Moeder is het te weten gekomen. Niet door u — ge wist niet eens wat een mens met zulke informatie doet, dus het bleef stil. Uitwendig dan. Ze zijn samen gebleven, en ge weet tot vandaag niet waarom. Maar de huiselijke warmte had een koude douche gekregen die nooit meer helemaal is drooggetrokken. Er werd niet over gesproken; hun woord was wet, onterecht of niet, het definitieve punt. Ge hebt het aanvaard zoals een kind aanvaardt: zwijgend, en met verhuisde warmte. Want warmte, die vondt ge voortaan nog op één adres — onder de vleugels van meme en pepe.
Naast de boeken over oorlogen en kampen las ge ook graag strips en verhalen over edelmoedige ridders die opkwamen tegen onrecht. Die bleken pas écht fictie. De oorlog was echt geweest, de kampen waren echt geweest, de pastoor was echt, de directeur was echt, de schone schijn aan de feesttafel was echt — maar de ridder, die bestond nergens anders dan op papier, in woorden neergeschreven, met naast het boek een leegte. Ge laast ze toch graag. Misschien juist daarom.
Meme had daar zo haar eigen gedacht over, al wist ge toen nog niet dat het het uwe zou worden. Kennis, vond zij, is macht — als ge tenminste de moed hebt ze op de juiste manier te gebruiken. Zoniet is het pure lafheid. Ze zei het gelijk ze alles zei: bij het afwassen, zonder plechtigheid, alsof het over de patatten ging. Ge hebt de zin onthouden zonder hem te verstaan.
Ge wist toen ook nog niet dat er heel veel laffe mensen wonen in het corrupte land. Zodanig veel dat het een bittere smaak zou nalaten, erger dan om het even welk groentje van aan tafel.
Ge had de jobstudentenleeftijd bereikt, en de fabriek stond op plaats één. Mooi loon — voor de saaiste bezigheid ooit: dozen stapelen op paletten, inpakken, wegduwen, volgende. Ge hebt u daar voor het eerst afgevraagd hoe een mens dat een leven lang volhoudt, en hoe dun het laagje verantwoordelijkheid wel was. Alle ingrediënten van vroeger waren aanwezig: de toon van de directeur, het gedrag van de pastoor, de mooie schijn van de familietafel — alleen de decors verschilden.
Op de werkvloer was er welgeteld één gespreksonderwerp: wat er met het loon zou worden gekocht. Gelukkig bestond er nog geen overaanbod aan webshops, of de directeur had met zijn handeltje overuren mogen draaien en was hij de tel kwijtgeraakt. Maar ge waart blij dat ge onderaan de ladder mocht beginnen. Elke sport hoger, zo hebt ge later begrepen, stond garant voor andere karakters, een andere mentaliteit — en minder verantwoording. Onderaan werd elke doos geteld. Hoe hoger ge keekt, hoe minder tellers er overbleven. Ge hebt het met open ogen en oren geobserveerd en geabsorbeerd, en alles bijgezet in de bokalen: voor later, altijd voor later.
Het jaar daarop koos ge voor de horeca in de vakantieoorden. Afwassen, afruimen, aanvullen, ijsjes draaien, proeven. Het contractje had een vaste plaats in de zaak: in de schuif, blanco. Het werd pas ingevuld bij hoge nood — en hoge nood, dat was het moment dat de controle het erf opreed. Het moment waarop pepe thuis zijne beste jenever zou bovenhalen. Ge hebt toen niet beseft wat ge aan het leren waart: dat papier in dit land geen verslag is van wat gebeurt, maar een decor dat klaarstaat voor als er iemand komt kijken.
De helft van het geld mocht ge houden. Ge wou zo graag een brommer, gelijk uw vriendjes — zelfs die met gescheiden ouders hadden zo’n speeltje. Papa was stellig: geen probleem, maar ik vrees dat ge een baantje zult moeten zoeken. Zo kwam het dat ge maanden aan het werk waart, jaren na elkaar: in een frituur gestaan, een speelhal bemand, gerechten geserveerd, en meer geleerd dan op om het even welke schoolbank. Naar school reed ge voortaan met de nieuwe brommer — zonder Millet-vest of Chevignon-hemdje, het was geen pronkstuk maar een handige, leuke en af en toe pijnlijke tool. Pepe betaalde zo nu en dan de benzine, zonder dat ge hem ooit nog aan het goed bewaarde geheim moest herinneren. Het akkoord van de toog was met de jaren iets anders geworden, iets wat geen dreigement meer nodig had. Ge hebt er kilometers plezier mee beleefd.
Op school mocht ge een jaartje overslaan — enkele bureaucraten hadden beslist dat ge een trapje hoger kondt, als groentje vroeger weg uit de basisschool, de technische kant uit. En dat beviel u uitstekend: meer volk betekende meer plezier. De onderdirecteur, die vondt ge lijken op een kaalgeplukte papegaai, hij kondt uwe neus benaderen tot op een paar millimeter, dacht daar anders over en was resoluut: vijftig pagina’s volpennen tegen de volgende dag, af te geven op zijn bureau. Ge hebt uit uw boekentas een bundel losse bladen genomen, overhandigd, en gevraagd of hij kon teruggeven van honderd.
De dwangarbeid bestond deze keer uit het boenen van de houten vloer van de turnzaal. Twee woensdagen — zonder konijnen of pastoors in de omgeving deze keer. Dan maar roken tussen de sparren, tot een hand uit het niets uw rechteroor te pakken kreeg. Nog twee woensdagen.
En ge hebt er ondervonden dat gist en mest, in de juiste verhouding samengebracht, ongewone taferelen kunnen aanrichten op een binnenplaats. De toiletten lagen aan de rand van de binnenkoer, de speelplaats — en het bureau van de onderdirecteur keek recht uit op die plek. Hij heeft alles gezien. Behalve wie. Niemand heeft ooit de echte oorzaak gevonden. Pepe’s verhalen over het verzet lagen nog vers in het geheugen, en sabotage, zo had ge geleerd, is een kwestie van geduld, timing en niets zeggen.
De bokalen stonden vol, het wachten was geoefend. Maar sommige zaken kunnen nu eenmaal niet wachten op later.