Vanaf september tot half oktober onderhandelen N-VA, MR, Les Engagés, cd&v en Vooruit over hoe ze tegen 2029 tien miljard euro moeten vinden. Het is niet de eerste onderhandelingsronde. In november 2025 bereikte diezelfde regering, na twintig uur onderhandelen, al een akkoord over 9,2 miljard euro. Premier Bart De Wever noemde dat toen “een soort tweede regeerakkoord.”
Dezelfde premier verklaarde eerder al, met merkbare trots, dat België sterk staat in putten maken — om er meteen aan toe te voegen dat het land ook zou stoppen met rotten. Elf maanden later blijkt vooral het eerste een blijvertje.
Als elke onderhandelingsronde een nieuwe put dicht, waarom wordt de put dan elke keer groter?
De cijfers op een rij
De federale staatsschuld bedroeg eind juni 2026 meer dan 567 miljard euro — een maand later, eind juli, was dat al opgelopen tot bijna 575 miljard euro. Tel je alle Belgische overheden samen — federaal, gewesten, gemeenschappen en lokale besturen — dan kom je op ongeveer 706 miljard euro, of 107,9% van het bbp. Die schuld kan bovendien door het sneeuwbaleffect verder groeien: hogere schuld betekent hogere rentelasten, die op hun beurt opnieuw op de begroting wegen.
Econoom Paul De Grauwe berekende dat de Belgische belastingontvangsten, uitgedrukt als percentage van het bbp, sinds 2013 zo sterk zijn teruggelopen dat het verschil in 2025 overeenkomt met ongeveer 21 miljard euro. Hij wijst daarbij onder meer op de verschuiving van hogere inkomens naar vennootschappen, waar inkomsten fiscaal anders worden behandeld.
Andere economen, zoals Ivan Van de Cloot van Stichting Merito, betwisten die analyse en noemen de berekening “statistische cosmetica”. De 21 miljard is dus geen vaststaand verdwenen bedrag, maar een raming op basis van een vergelijking van belastingontvangsten.
Net daarom voegt ze een relevante vraag toe aan het begrotingsdebat: als er discussie bestaat over wat er aan de inkomstenkant verloren is gegaan, waarom gaat vrijwel elk politiek gesprek dan eerst over wat er aan de uitgavenkant moet verdwijnen?
Twee routes, twee rekeningen
De meerderheid zoekt haar tien miljard onder meer via btw-maatregelen, hervormingen van sociale voordelen en hogere eigen bijdragen in de gezondheidszorg. De oppositie — onder meer PS en PTB-PVDA — legt andere recepten op tafel, zoals hogere bijdragen van grote vermogens en het terugschroeven van bepaalde bedrijfssubsidies.
Ook die tegenstelling is niet nieuw.
Toen de regering eerder een bijkomende begrotingscorrectie zocht om op het Europese begrotingspad te blijven, liep de discussie langs dezelfde breuklijn: N-VA en MR keken nadrukkelijk naar de uitgaven en sociale zekerheid, Vooruit legde een miljonairstaks op tafel en MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez verzette zich tegen bijkomende belastingen, ook voor de hoogste vermogens.
Andere onderhandeling. Ander bedrag. Zelfde patroon.
Het akkoord van november 2025 bevatte onder meer een zogenaamde centenindex. Boven bepaalde inkomensgrenzen wordt de indexering niet langer volledig procentueel toegepast, maar beperkt tot een vast bedrag.
Tegelijk blijft de fiscale verschuiving waar De Grauwe op wijst onderwerp van discussie: hogere inkomens die activiteiten via een vennootschap organiseren, kunnen daardoor anders worden belast dan werknemers die hetzelfde inkomen rechtstreeks als loon ontvangen.
Dat is legaal.
Maar precies daarom is de vraag interessant: als de begroting structureel uit evenwicht is, welke inkomsten en uitgaven worden dan onderzocht — en welke blijven buiten beeld?
Wat er ondertussen niet gebeurt
Naast het begrotingsdebat ligt nog een ander dossier op tafel: het Europese Sociaal Klimaatfonds.
België kan daar ongeveer 1,66 miljard euro Europese middelen uit ontvangen. Met de verplichte Belgische cofinanciering loopt het totale beschikbare budget op tot meer dan twee miljard euro. Het geld is onder meer bedoeld voor woningrenovatie, energie-efficiëntie, verwarming en ondersteuning van kwetsbare huishoudens.
België miste echter de Europese deadline van 30 juni 2025 voor het indienen van zijn Sociaal Klimaatplan.
In oktober 2025 bereikten de verschillende Belgische regeringen uiteindelijk een akkoord over de verdeling van de Europese middelen. Daarmee was het probleem nog niet opgelost: in mei 2026 was het volledige Belgische plan nog altijd niet afgerond en konden de middelen dus nog niet gewoon worden ingezet.
En ondertussen kwam de zomer.
Tijdens drie hitteperiodes in de zomer van 2026 registreerde Sciensano in België 2.935 meer overlijdens dan verwacht. Tijdens de eerste hitteperiode alleen ging het om 2.035 bijkomende overlijdens.
Dat betekent niet dat bij 2.935 individuele overlijdens hitte officieel als doodsoorzaak werd vastgesteld. Het gaat om oversterfte: het verschil tussen het aantal waargenomen overlijdens en het aantal dat statistisch werd verwacht tijdens die hitteperiodes.
Maar het cijfer is moeilijk weg te redeneren.
Tegelijk behoort betere isolatie en energie-efficiëntie van woningen precies tot de maatregelen waarvoor het Europese Sociaal Klimaatfonds bedoeld is.
Er wordt dus met man en macht gezocht naar miljarden om te besparen, terwijl geld dat al voor een ander deel van diezelfde crisis — de energiefactuur en de gezondheid van kwetsbare gezinnen — klaarligt, maanden na de deadline nog altijd niet wordt ingezet. Dat geld is geen alternatief begrotingsbudget. Het is geoormerkt voor zijn eigen doel, en blijft gewoon liggen.
Dat zijn twee verschillende dossiers.
Ze bestaan alleen wel in hetzelfde land, op hetzelfde moment.
De vraag die overblijft
Elke nieuwe begrotingsronde wordt voorgesteld als een noodzakelijke stap om de Belgische financiën eindelijk structureel op orde te krijgen. Toch volgt enkele maanden later opnieuw een zoektocht naar miljarden.
Misschien is tien miljard besparen noodzakelijk.
Misschien moeten de inkomsten omhoog.
Misschien is een combinatie van beide onvermijdelijk.
Maar dan hoort ook de volledige rekening op tafel te liggen: wat geven we uit, welke inkomsten lopen terug, welke fiscale keuzes maken we, welke Europese middelen zijn beschikbaar en waarom duurt het zo lang voordat we ze kunnen gebruiken?
Want wanneer een regering miljarden zoekt terwijl elders miljarden wachten op uitvoering, volstaat de vraag “waar kunnen we nog besparen?” niet meer.
Dan hoort er nog eentje naast:
Welke miljarden zoeken we koortsachtig — en welke miljarden, die al voor hun eigen doel klaarliggen, laten we ondertussen gewoon links liggen?
